247
liefdebesef, dat toch dieper bezien, niet in ze brandde. Woorden, woorden, woorden, en Manus Peet wou het woord met de daad en de daad met het woord saamsnoeren. Want hij begreep wel zeer innig en met een heel echt gevoel, dat hij moest oppassen de uiterste grenzen van de woord-ontkenning te naderen. Dan zou hij nooit en nimmer een woord op zichzelf tot een daad zien worden en dan zou eigenlijk alles zinneloos zijn. Want waarom waren de woorden die hij voor zijn twijfelingen en aarzelingen, voor zijn sarcasme en geeselspot in zichzelf vormde en gebruikte, waarom waren die minder woorden, minder leeg, voos en valsch, dan die hij bij anderen bespotte en die hij in opgewondenheid en exaltatie zag zwemmen? Er moest toch een herkenbaar iets zijn aan woorden, waardoor ze heel echt en heel diep en heel gemeend klonken voor hen die ernaar luisterden? Daar bleef Manus altijd over mijmeren, al had hij er nog nimmer over gelezen. Dat hoorbaar-innerlijk-echte leefde nu voor Manus in den klank, in den fijnen menschelijken klank en de trilling van het woord, en in den saamklank van het geheel. Er waren uitingen die zoo pardoes en zoo geweldig op je afkwamen, als een steen die van een berg neerkantelde. Hij hoorde ze soms uit den mond van misdadigers, van menschen uit het volk, en zoo een enkelen keer ook in wat hij had gelezen; woorden die hem inéén in het hart grepen en zijn hoofd koud deden rillen en huiveren. Dan ademde het leven zoo vreemd, zoo vreemd in Manus. Dan werd al wat hij las of hoorde plots als met een bloedstroom in hem overgebracht. Dan ging het heet kloppen, hameren in zijn hoofd. Nog onlangs had hij dat eens een dichter gezegd, op een vergadering van communisten ontmoet, en die had hem wel een beetje op weg geholpen, door hem te Zeggen:
— Juist, juist Peet, zoo moét het ook. Jij voelt en hoort het oer-rhythme.
Het rhythme, het oer-rhythme?
Zijn kippenneut kon er niet bij en toch begreep hij, dat het