246
En de trommel heerejeé,
Wa selle me dat potje fijn verteire!
Alle woorden, die 200 makkelijk als op een ademtocht naar buiten stroomden bij velen, waren voor Manus Peet juist oervreemde dingen met zeer verborgen levenskern. Hij had Herman Gorter hooren spreken in een kleine zaal, onder rookwalmen. Zijn hooge heesche stem had half gekrijscht en half dweepziek gehuild. Peet hoorde het nog: propaganda voor een idee maken, bezield zijn voor het grootsche, liefde voelen voor anderen, om schoonheid, om organisatie, om levensrecht roepen. Manus zag nog den walm van het zaaltje en het bleeke, verwrongen gezicht van den verwoed-geestdrifti-gen dichter, en zijn oogen saSmgeknepen als spleetjes licht. Manus hoorde de woorden, om ze eerst traag tot zijn eigen begrip te laten ingaan. Hij moest ze keeren, wenden en draaien voor zijn namijmerend verstand en zijn ontledenden zin, om er een opening in te vinden. Het agitatorische zinsgerucht liet hem zoo koel, geërgerd zelfs en ongeroerd staan. Alle zwetsende en zwammende agitaties, alle droomerig realiteitsbesef bracht in hem een brandend haatgevoel. Als de sociale omwentelingen moesten opdreigen, dan zouden ze wel komen, maar dan ook met een niets- en niemand-sparende schrikkelijkheid. Manus voelde geen snars voor de valsche glorie der ziekelijke martelarij, die, zelfs folteringen tartend, vaak bleek niets anders te zijn dan een uiterlijke vorm van geestelijke ijdelheid, waartoe agitatoren in hun benarde positie zich opzwiepten; of ontaardde in een dweepziek verheerlijken van de heldenmacht der enkele leiders-persoonlijkheid; een overspannen heros-verheerlijking die niet zoo ver afstond van het smadelijk-weggeschopte tyrannen-ideaal Napoleon; een vergoding die slechts langs anderen weg dan de dade-lijk-herkenbare, tot weeë zelfaanbidding en individualistische geweldenarij voerde. Alle revolutionnaire wildheid gaf hun tegenover de aarzelenden, een gevoel van hooger