ACHTSTE HOOFDSTUK.
I.
Peet belastert zijn liefdedrift. — Een bochel mijmert over een bochel.
Ondanks al zijn bijtende ironie, zijn inbrandende waarheidzeggerij, zijn schimpend-sarcastisch ontblooten van wat de menschen in hun troebele daden en nog troebeler woorden verzwegen en verborgen wilden houden, was Manus Peet tóch een kinderlijk-eenvoudige natuur gebleven. Hij las ook als een kind, ontroerd en innerlijk-één met het verhaalde, het gebeurende. Op het moment van het lezen gaf hij zich met zijn gansche wezen, onbekommerd, aan al zijn tegenstrijdige eigenschappen over. Eerst in de eenzaamheid vermocht Manus alles rustig te begrijpen en alderlei uiterlijke verwarringen te ontvluchten. De weemoedige kloosterstilte van het kerkhofje, en vlakbij, de schallende lichtpraal van de Schinkel-vaart, en daarboven weer, de eindelooze hemelruimte, waardoorheen iederen dag opnieuw, de phantastische groeiselen van blanke of donkere wolkenstoeten aan- en wegdreven onder een wisselend glanzenspel, brachten een tintelende gedach-tenklaarte in zijn woelerig brein. Hier kon hij, in zijn terug-