211
begrijpen. Over de arbeiders-slavernij, over de verdrukking van allen door enkelen en over het huichelachtige, valsch-vrome der christen-wereld met haar onnoozelheid: hebt uw naasten lief gelijk uzelve. Er begon een bewust strijdgevoel en strijd-verlangen in hem óp te branden. Hij wou vechten voor zijn klasse. Had hij dan altijd gegluurd door de kleine dwarsruitjes van het Karthuizerhofje? En niets aars gezien dan een binnenplaats, een pomp en een olm?
Nou griefde het hem niet meer, dat de Dahlia met zoo een vies lachje op hem neerkeek; op hém, op zijn misvormde stokers-knuisten en kromgezwoegde vingers. Hij begon te beseffen, dat hij minstens even veel waard was als die floddermadam uit een pronkkleeren-zaak, van wie hij dacht, een schaarsch momentje dat haar hart in zijn hart klopte.
Van Manus begreep Jan niets; het minst als hij met den Bochel sprak over revolutie en socialisme. Die gele Kast deed zoo nukkig, zoo gek en zoo raar, en die talmde en draaide zoo dwars als een kaduke mallemolen.
— Hoe zoeter de koek, hoe meer de vliege bromme,... zei Manus maar steeds, al ironischer, en smookte.
Voor Manus was heel het heete en plotseling roekeloos-doorbrekend revolutionnair instinkt in Jan Gouwenaar, een schroeiende levensvlaag, en zijn verzet zonder diepe inworte-ling en wankelloos gevoel. Bij Jan leek het hem méér het smartelijk verwerkelijken van een zelfverbittering, een wrokkig ómleven van liefdesmaad in een maatschappelijke daad. Daarom kon Peet zoo genadeloos spotten met Gouwenaar's ophitserig gezwam en revolutionnair geleuter, al achtte hij hem persoonlijk tot de vermetelste dingen in staat. Deze gulle zeerot, die nog pas naast een ״antimonika", met trommels en bomketels, dronken lag te blerren in een kroeg, deze sociale Jan Bordpapier, die bij den Mof in de Palmstraat, of bij Willem III op den Haarlemmerdijk, loerde op een „fru-weele" bloesje voor Corry, zijn Corry alleen, en die iederen