210
onnaire socialisten aangesloten. Er was plots in hem komen opdringen een roekeloos verlangen naar persoonsondergang, naar totale vernietiging. Die begeerte schonk hem zelfs een soort van geluksgevoel. Met een wellustigen angst koesterde hij zijn wrok en het pijnigende van zijn heimwee gaf hem soms een boosaardige kalmte, die plots weer uitschoot op verachting en woede. Iets juichte in hem, dat hij zou ondergaan met brandende woorden van vervloekingskracht op zijn lippen, tegen de trot-sche Dahlia. Maar in een wilde teederheid snikte hij dan weer uit, dat haar geen kommer mocht treffen, dat spottende leugenbeest. Want als hij maar éven dacht aan het lichtste geritsel van haar rok in zijn nabijheid, dan begon zijn dronken liefde al te werken en donker te woelen als een zieke, scheurende drift in zijn wezen. Op zee kon hij turen, turen zoolang hij wou, in de verte, over de reeling en dan hoorde niemand, en vooral niet dat zoete kreng, met haar zondige oogen, het stamelen en stotteren van zijn verlangende hart.
Zoolang hij nog niet was afgemonsterd, sprak hij rad over revolutionnaire alarm-politiek, over ״rotmaatschappij" en internationaal communisme. Wat ervan kwam, kwam ervan. Doch soms besefte Jan plots zelf, dat achter zijn roekeloosheid en doodsverlangen, ook weer een soort van levenskracht hijgde. Door al die socialistische beschouwingen en propagandistische opwekkingen hervond Jan zijn menschelijke eigenwaarde een beetje. Hij kreeg ideeën van cultuurgroei en sa-menlevings-verhoudingen, die hij voordien nooit had begrepen, al was hij ook aangesloten geweest. Het werd waaratje een genot, te luisteren naar al die opstandige, hekelende kerels, naar die fijne poekelaars, die allemaal zoo rad hun prevelement deden. Hij hoorde Van Ravesteijn, Wijnkoop, De Ligt, en hij ademde in een nieuw gevoel. Zei hij teveel? Wel-neenet! Hij hoorde ook anarchisten en sociaal-democraten. En hij begon krantjes, bladen en boeken te lezen. Hemel, zulke vodden waren de zeelui toch óók niet. Jan ging mijmeren en