88
begon te kwellen. Weer trokken afgezanten naar de ijskast en plunderden die opnieuw. Zij ganniften niet meer stiekem, maar brutaal bij het klare licht. Het was iets zaligs, dat innemen zonder moos. Zooiets gong in geen duuzend jaar in Mokum Olf. Dat dronkemansspelletje herhaalde zich tot er niets meer te grijpen was. Zoo, in den zuip, gong klanker na klanker kapot; wel driehonderd flesschen bier. Maar ook de hachel stond niet stil. Vijfhonderd eieren gingen er aan, dertig bussen tong, honderd kogelfleschjes en al wat er nog eet- en drinkbaar toedreef.
Den volgenden dag moesten zij bij stoetjes op de commandobrug saamstaan en daar branieden allereerst Jan met een paar matrozen, de kapitein, de eerste machinist en de eerste stuurman. De kapitein, grauw van ingesmoorde drift, porde direkt af:
— Jullie weten natuurlijk, mannen, dat de ijskast geplunderd is?
Jan, dood-onnoozeltjes er tegenin, met de onverschilligste stem, alsof hij nuchter het schuimende kielzog overstaarde:
— Wete van niks, kap!
— Zoo ... als jullie het dan niet weten, ik weet het wel!...
brulde de kapitein,___ik straf jullie allemaal met een halve
maand gage tót de dader zich bij mij heeft aangemeld.
Kort zei Jantje Gouwenaar:
— Sel nie gaan kappie! Ik bats nie voor niks kole in 't vuur!
— En ik ga lieferst een deuntje maffe op 't spaardek,.. .viel een ander uit.
— Keik ereis goed senooris,... oolijkte een tremmer van den smeerbunker,... miskien hurkt er nog wel een in't hoekie van de ijskast of in de schafthui.
In New York beurden zij noppes gage. Toen, eenige dagen daarna, barstte een matroos uit:
— Ik ga m'eige anmelde.
— Seg, f'rkoop geen kool... ouwe vuursaag ...
— Ga nou gauw weg!... brulden zij allen tegelijk tégen... jij sient se renne!
Hachel: elen — Moos: duiten