78
Jan lag roereloos te luisteren in het donker, naar de kwellende biecht van den melancholieken, sentimenteelen zwabber en tobber, en nog sterker weemoed voelde hij in de keel kroppen. Een andere, woest-onverschillige spotklant floot iets schels tegen de chagrijnige bekentenissen van den griener en biechter in.
— Jij heb 'n goeie hand van fluite,... viel bleek-giftig Jan uit,... maar pluis achter je voorplaat bl je nie!
Hij beefde van zulk een tartend-hardvochtige quasi-flinkheid in de benarring. Met droge vuisten zou hij den vent kunnen peuten. Voor geen groen flepje zou hij den stumper hebben willen voeren, nu hij zoo schameldroef telkens met zijn uitgemager-den jammerhals, een ander pijnigend zelfverwijt wegslokte.
Ach, ach, zat hij nou maar tusschen de jolige meiden van den Jordaan, met hun pierige pronkkleurtjes. Zat hij nou maar op den Dijk of 's avonds bij zijn ouders, zijn goede moeder, of tusschen zijn vrienden, in de heetgestookte herbergen. Wat gek, dat hij nou zoo klaar als in de werkelijkheid, hier in die donkere getraliede kooi den gouden haan op den Westertoren zag blinkeren. En hij hóórde compleet het klokgelui, zoo over al de grachten en straten heen. En hij zag het menschengekruimel in de Haarlemmerstraat 's Zaterdagsavonds, tusschen al het winkellicht op. Hij stikte half van ontroering en er klemde zware, uithijgende benauwenis op zijn borst. Bij zijn moeder en vader thuis lag hij ook te maffen op den nakenden vloer. Maar daar zag hij toch nog wat anders 's morgens, dan dat grauwachtige ge-vangenislicht dat in deze kooi door de keldervensters heenkroop. Ook zag hij hier in den halfschemer, al de lekkere kedinnebak-kesjes opduiken van Zwarte Aagje, van Trien de Soepketel en van Blauwbaard's dochters, die van de Anjeliersgracht. Vooral van dat oudste mokkel, van die mooie zwarte, met haar lieven snoet en kittige loopje en die hem letstnog, toen er Zoo een schel zonnetje hing over de gracht, zoo iets verleidelijk-zoets en verliefderigs had toegeroepen. Hij was toch maar een nakend-arme Jordaansche jongen, die nou in een kniezerige kooi lei neergesmakt tusschen de dood vreemdheid. Hoe mar-
Groen flepje: bankje van veertig gulden. Flepje is ook: valsch getuigschrift.