145
hij ze in duizelkrxng rond, als stukjes levenloos bont. Een kwartier later trampelde het kereltje van giftige razernij, als in een dwarssteeg ergens een sleeperspaard werd afgeranseld. Dien vrachtsjouwer overwierp Bromtol met vuil, modder en zand, en hij griende om het arme beest, dat zoo gemeen om den kop gemept was door ״soo'n vuile klier, soo'n boender van 'n sjap", die zélf op zijn hachie getrommeld of geroskamd moest worden. Dirkje werd de fijnste en nobelste keiler uit de heele Jordaan-buurt genoemd. Geen enkel jog waagde zich als mikker naast hem.
— Hoy knul... smeer je waffel toe!... sneed Bromtol kort-fier af.
En hij keilde; fiat!... hij kiskaste in een onweerstaanbaar-leuk werphoudinkje, gereed voor de gooi. De glad-platte steentjes klemde hij tusschen bleekgeperste vinger en duimpje en zóó fijn was Bromtol's doeltreffend richtingsgevoel, dat hij onnoo-zele muschjes uit de boomen wipte met zijn vlak-scherpe kiezeltjes. Had Dirkje aan een buur, een echten vervelenden kraaikop, wrokkig het land, dan kreeg die zijn loon „te avond of te morgen" thuisgekeild. Want zelfs de hoogste verdiepingen lagen niet buiten Dirkje's mikkracht. Vanuit verborgen, overhuifde hoekjes trof hij zijn verre wit. In donkervochte hofjes, in vunze gangetjes, op binnenplaatsjes, zelfs uit privaatraampjes kiskaste hij onovertreffelijk en verbluffend-raak.
Zijn klapperkunst was van een rhythmische bezetenheid, die al de muzikale Jordaners onstuimiglijk het bloed naar het hoofd deed stuiven en in dansneiging ze de tintelende armen en bee-nen óp en neer deed deinen. Al de spelletjes in de buurt, be-heerschte Bromtol met hooghartig-nonchalante zekerheid. Er waren maar weinig éven vermetele sleetjesprikkers als hij. Dirkje „reepte" sullebaantjes over de trottoirs als blauwe, uitgerekte fonkelspiegels. Wanneer het even iets meer dan een vorstvlies vroor over het water, en de grachten leien gevaarlijk strak-broos dicht, dan stond Bromtol al tusschen een paar witte meeuwen tegelijk op het nog brekelijke ijs te hinken. Bleef het vriezen, dan reed hij van den killen ochtend tot den zwarten
Mallus Peet. 10