140
Bromtol bleef Burk met aanhankelijkste innigheid en teederheid, een afgod; de eenige tegenover wien Dirkje zich nietig en druilerig-onnoozel voelde en die hem bijwijlen in zijn driftige uitbarstingen temmen kon. Uit iedere kromme straat en eenzaam slop wist Dirkje al snuffelend, Mooie Karei óp te sporen en met koppige hardnekkigheid bleef hij ״Aume" halve dagen achter de hielen natrippelen. Wanneer Karei Burk het merkte, kregelig onverhoed omkeek en dreigend vroeg:
— Wat doe je aap?
dan antwoordde Bromtol in loos gestamel en quasi-ver-schrikkelijk-in-de-war:
— Niks aume ... ikke ... ik maak me skoolwerk!
Dan schaterde Karei het uit en riep hij:
— Geef dat bloedje de ruimte.
Ineen gooide hij zwaar-joviaal een cigaret weg die Bromtol schelmsch-behendig tusschen de weeke lippen opving en Karei schreeuwde weer:
— Blijf binne je bestek hoor!...
— Flussies aume,... klonk het bedeesd terug.
En Mooie Karei zong hij na:
Soolangst se 't boeselaartje draagt Is de meid nog maagd ...
Maar natrippelen bleef Dirkje Burk toch.
Zoo had hij nog pas gezien, dat aume Karei straatfotograaf was geworden. Bromtol begreep er effetief geen snars van, maar hij lachte zijn eigen een kikker. Nou het zoo in de praat te pas kwam, mocht hij het bestig vertellen. Aume Karei haakte op Nieuwendijk en in de Haarlemmerbuurt en in den Jordaan telkens meiden en kerels aan,... om d'r fieselemie af te fotografeere. Da was geen smaldoek! Dan bleven die menschen zoo gek en zoo gebluft staan hè? Aume Karei dook dan kiekeboeïg wég onder een groote zwarte lap en verzocht effetjes beleefd, maar dringend, stilte en aandacht. Dan stonden al de menschen stokstijf en de gezichten zoo raar, alsof zij sikker waren en het niet wilden weten; zoo heelemaal in het fatsoen getrokken. En dan zag hij
Flussies: aanstonds. — Sikker: dronken.