ii3
verlustigde Manus zich ook in het woord van den Karthuizer prior Dyonisius. Ook deze smeekingsziel begeerde niet meer te wandelen in den schrijnenden mantelgloed der hooge prelaten en wereldlijke vorsten. Toén kraakte het alom en de nieuwe stemmen van verzet klonken uit tractaten, dagboeken en liederen. Het was als een broeische zwirreling van opgejaagd stormstof voor een geweldig onweer dat op uitbreken stond. Het was éven angstig en ontzachlijk voor Manus als nu de roode revolutie in Rusland, die de kakelende menschen van schrik bezeten deed zijn. Daar stapten ook gegeeselden en verschoppelingen uit het ongisbaar-diepe en vernietigende duister in het helle, laaiende licht, in het blakervuur van een nieuwen strijd. Het sneed als de weerlichtflits, klievend door het heelal, bleef zweven als een toovergroen vuur boven een zwoele, giftige hitte van moerassige dampen. Nu overwelfde Manus het nieuwe en het oude, en hij onderging het in zijn innigste gewaarwordingen, als een onscheidbare eenheid van leven. Hij hoorde het kermen der biechtstemmen, het heesche smeeken en weeke kreunen der bekeerlingen. De ״Navolging van Christus" werd al meer geest van zijn geest. Hier geen waterverf, dun spoelsel! Het was een innerlijk-heilig boek voor hem geworden, het boek van een écht-nederigen, een hevigen smachter naar God. Achter de vroom-kuische, zelfverloochenende taal hoorde Manus den kermenden en krimpenden, vrede-afsmeekenden zondemensch; zag hij zijn half-weggewischte tranen; beluisterde hij het gesmoorde zuchten van de ontroerende deernisziel, worstelend met eigen innerlijke angsten en aandriften. Peet voelde heel, heel in de verte een schampje verwantschap met den droef-mijmerenden en toch zoo groot-gelukkigen Thomas a Kempis; gelukkig in zijn zelf-kruisiging. Ook voor hém had Thomas a Kempis zijn heilige woorden een innerlijke ontroerenis meegeven, die alleen door de reinste menschenziel kon zijn uitgeademd. Doch wat schokte hem dan in den bol, vroeg Manus zich keer op keer al nijpender af, dat hij in een soort van woede lostierde over allen die den eenzamen monnik napraatten? Wat was het, dat Manus
Manus Peet. 8