102
dezen hartstochtelijken voorvader-fanaticus, omdat alleen in hem was overgebleven een in stilte zich verdiepend begeeren naar mijmering, naar ontrafeling ook van goddelijke en bovennatuurlijke dingen.
Schoon zonder cultuur en bijna zonder boeken had Manus toch heel lang gedacht over de Christus-verschijning en over alles wat in den goddelijken smartman, zelfopoffering hiette of waanzinnige geaardheid werd gescholden. Ook nu weer, cp het Jaagpad, had Peet het eerst gegrepen naar Thomas a Kempis' ״De Navolging van Christus".
Op den dag deed Peet allerlei schrijfwerk uit Jordaan en Nes, en hij bleef altijd zeer gezocht om zijn kriebelvlugge hand en zijn snel-vernuftig saampeuteren van zakelijke schriftuurtjes. Manus scharrelde zijn kostje net op het kantje bijeen en bleef er tevreden onder. Maar bijna al zijn middagen en avonden bewaakte hij in gierigen angst voor een uur onnoodig tijdverlies; nestelde hij zich op zijn kluis, met takkenrommel en hout van Jaagpad en Kerkhof verwarmd, door het sluip-stille weeuwtje.
Manus brandde óp in een soort koortsachtig verlangen en een onzinlijk genot naar de ontleding van zijn eigen nieuw, dubbel, dooreengestrengeld levensgevoel: voor Corry en voor de menschen waartusschen hij ademde. Hij wilde zuivering, zuivering van alles in hem. Het was geen ijdel en behaagziek spel in het blufferig vergaren van wat kennis, doch een innerlijke, onontwortelbare dwang om van zichzelf te willen weten, wit in hem gulziger sappen slurpte: geestelijk-zinnelijke hebzucht, eigenliefde of liefde voor de menschheid, waaraan hij zijn persoonlijkheid mocht en móest offeren. Onstuimig en toch altijd vast aan zijn gronddoel, wierp hij zich met al zijn gevoel, al zijn peinskracht, op de problemen van het bestaan, juist omdat de tijd zoo schrikkelijk brandde en zoo alles-om-zwachtelend-traag narookte boven duister bloedgeweld en menschenmoord.
Voor eigen zielsrust en voor de oplossing van zijn soms ge-