78
stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel ■opschokte van 'r zitje.
Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In 'r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde 't van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op 'r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit 'n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.... Als t'r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, 't verwarde haar voorstellingen, want die alleen leefden voor haar. 'n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en 'n hooge stoel, 'n troon, — dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat 't •sterde en fonkelde voor d'r oogen. En nou die kranten ! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor 't feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze ■doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog 'n kopje leut in, en naast 'r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van 'r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde 't krantje op zij. Niks snapte ze 'r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z'n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z'n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend. — Vroolijk snaterde Guurt weer op....
— Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.. .. die hep s'n aige veur s'n kop skote....
— F'rdomd ! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z'n pijp.
— Of tie !.... de kommenai is d'r vol van.... en de slager sait 't ook.... en welk gast je d'r spreekt.... de heule ploats weut 't.... s'n aige doodskote....