67
den, diep weggefrommeld in z'n groote zakken, bleef ie, lijzig koeiig kijkend, om den Ouë heen en weer drentelen.
— Ha je nog wa' vangst op vailing Ouë, vroeg Dirk.
— Hoho !.... ho.... ho.... niks te meer.... smeer'ge boel.... allegaer els.... saa'k moar segge.... els .... vier «n vaif en nie g'nog.... skorumsootje.. ..
— Zoo, bromde Dirk, zich uitrekkend, onder heviger gaap-nitstootingen. — Toen, kijkend naar de beesten, leunde ie tegen den muur, onder het lampje, in geel-schemerig stallicht •verdoezeld, bij een van de oog-starende raampjes.
Guurt scharrelde rond bij de pomp, op steenen middenweg] e, naast den haard, klompklotsend. Ring.. ring.. ring.. ring.., stompte 't uit donkeren hoek daar, met knarsingen van overhalenden slinger tusschen geweld-klettering van waterstroom in emmer. Even lichtte rossig öp soms 'n hand, ,n brok gezicht, 'n rokpunt, als ze overbukte dicht bij den haard. In den hoek, vóór de groep, schemerde 't zwak-geel lampschijnsel op koei-kruisen en schonken, die heuvelig afscha-duwden tegen beschot aan en op dwarsmuur, als drommeda-risbulten, vaal-zwart. In de stank-uitwasemende groep lag koevuil te dampen, om den kruiwagen, die nog vol mest, be-klonterd achter de beesten, op achtergang stond. Plots viel ■er stilte, toen de pomp uitgeklaterd had, en de dreunende ring-rings stonden. Overal door den grooten hollen stal, ging kruip'rig schaduwspel over steenen vloer en muurhoeken. De Ouë had eindelijk, lijzig, 't melkblok op de stalstoep gelegd. Zacht op de koebil patsend, schoof ie 't blok tusschen de warm-wasemende snoffelende dierlijven. In licht vreugdegeloei dat zacht-bazuinig en weemoedig-zangerig verhuilde in den stal-schemer, draaide één koe d'r kop naar 'm toe, zich loswringend van 't touw dat vastgesnoerd zat aan de groen- en blauw be-verfde rempalen. Met z'n smoel duwde de andere koe, de loeiende terug. Wolkerig woelde op 't hooi, dat de beesten uit vóórgang van den een naar den anderen kant trokken en scherp sneed door de stilte, hun grissend grazen en kauwen.