34i
jubelend hoog, borrelde voller, klare zilveren toontjes in 't kristallen gorgeltje. Al luider en zoet vloeiender beefden de slagen öp uit z'n keeltje, kristallige spartel en fonkel ; al passiënder zwol de jubel.
Zwijmelende zange-wellust van minnaartjes-drift stortte uit, een kristalweb van zilveren trillers, en hoog in de lucht sloeg aan een golf, 'n zoet, zacht, rillend, weemoeds-deinend, jubelend, spartelend scherzo, klaar als tingelden en klingelden klokjes van kristal, eind'loos hoog in den hemel rond.
Dan stilte plots ; 't dierke, wèg in eigen jubel, de oogjes rood in zonnetoover, een takje lager huppelend rond wilgenzilver.
Van verre ruischte hevig-zacht nu, zangestem van aeolus uit serafientje, een ruischend gcvloei van lichte aanslagwijsjes, héél roffelend-teer, in de diepte van andere keeltjes. — En sterker parelde 't aan, kristallen golfjes-ruisch in gouden zomeravondstilte.
Als in druisch van regenkristalletjes, stortten tegen elkaar in nachtegaal en merel, zanglijster en leeuwrik, zang en kweel van allen kant.
Sterfhymne aan de lente.
Uit hun donkre, grauwe nachtegaal-borstjes bleef klinken de snik van 't minnen, 't zoete lieven ; door hun grauwe stille borstjes ging één kramp van uitstortend jubelgeluk. En engelenkeeltjes filomeelden in zoeten jubel mee, hoog, van uit 'n hemelschen toren.
Avondschemer donkerde neer over de zoete murmelende landstilte. Rond het laatste luchtenrood weefden de kristallen vogelen-gorgeltjes hun webjes van minnebegeerten. En donkerte rondom zonk uit, de schemer. Als zachte streken op violenkwint, fluweel-streelde, weende in 't duisterend groen hun zanggekweel na. En als kinderkoortjes vér, in gewijd lied, doorhuiverd van heiligen klank, tremoleerden terug, uit andere avondlijke schemerboschjes, broozer en reiner de vogelenkeeltjes, weenend van weemoed naar God.