319
z'n hoed van den kapstok gelicht, was Hassel voorgegaan naar beneden.
Dokter's rijtuig stond klaar. — In de apotheek groette ie vluchtig wat menschen, die recepten halen kwamen, en eerbiedig voor dokter uit den weg schuifelden.
In livrei-glimsel, stond vóór z'n koetsier, met knop van portier in de hand. Voorzichtig kippiglijk stapte dokter in. Voort ging z'n rijtuig, waggelde 't zware lijf van dokter op de makkelijke bank, tegen de fluweel-donkere kussens van den kaprug. —
Wat ezelstom volkje, vrolijkte 't in 'm. Die denken maar, dat je voor niets werkt, dat je 's nachts voor ze klaarstaat, als 't een er maar invalt je te laten roepen. Wat zal ik 'm krijgen
Van alle kanten, uit z'n open rijtuig, groette joviaal-doenerig, dokter Troost. Met z'n log bebakkebaarden kop, kippig enkelen nakijkend, deftigde ie door de tuinderswijkjes, in z'n lichtgrijs pak, z'n blank schittervest, met z'n licht-grijzen hoed, geheel doortrokken van rustige, rijke zomerweelde, heerschend in z'n stedeke-notabelheid over allen.
IV.
's Middags zat dokter Troost bij Gerrit, tegenover vrouw Hassel, die 'm wezenloos bestaarde, niet begreep, waarom die man 'r telkens vragen deed, wat ie van 'r wilde. — Met z'n rug naar 't raam zat dokter, zich peinzend wrijvend onder de vetkin, vrouw Hassel vlak voor 'm, twee vingers van 'r blauwig doorpeesde stekelhand, in 'r kwijlmond versabbelend. Haar steekmuts plakte slonzerig scheef op 'r uitfladderend vuil-grijs haar, oogen doften star. Om 'r kwijlmond groefde in stillen kreun 'n droefnisrek, waar d'r verstand al niet meer aan mee deed. Soms héél even, flitste 'r angstlicht in de oogappels, dofte daarna weer haar wezenlooze kijk, erger. Gelig-smoezelig magerde 'r hals, met ver-uitstekenden beverigen keelkrop. Uit 'n vies-zwart jak, van boven knooploos afflodderend, propte 'n stuk van smerigen borstrok óp. —