314
stelle ?____Al die buite Wiereland woont, betaalt.. Dat weet
je, dat wil dokter zoo. Dan wou jij zeker, dat als jij naar Lemmer ging wone, dat dokter dan ook maar van omstreke sprak hee?.... kort, en goed, ik heb je 't gezegd.... En nou marsch !....
— Joa, moar mehair, schrei-klaagde weer 'r stem.
— Is 't nou uit, donderde ie giftig, als jij nie doklce ken, kom jij met je kind hier.... kort en goed !....
— Moar aa's 't nou hailig nie loope----
— Vort wijf ! daar is 't gat van de deur, ben jij belatafeld t En jij Hassel ? —
Mank vrouwtje stond te beven met bleek-grauw gezicht. Wat woorden lagen te sterven op 'r lippen, van angst. Ze durfde niet meer tegenspreken. Van alle kanten, hoorde ze achteruit, geloop rond matglazen tuindeur, waar 't licht, goud-groen, doorheen glansde; zag ze de meiden, blank beboezelaard en bemutst, met kleedjes en klopper in en uitgaan. Telkens nog dacht ze dokter zelf even te zien, voor wien ze sidderde, maar hij kwam niet.
Zwaarder in heupsleep was ze eindelijk de apotheek uitge-waggeld, met huilgezicht, stille biggeltranen op 'r wang, niet wetend wat te doen, verstompt van zorg en bangheid.
— Heb je me ooit, bromde assistent je, nog in nawoede, tegen ouë Gerrit, zoo'n schooierswijf.... Wat 'n bedil! Ze wou natuurlijk dokter graag voor niks hebbe, dat 'r man wTeer beter zuipe kan.... Nou hunkert ze naar 'n bewijs van onvermoge.... Ze heeft zich al voor drie weke opgegeve an de sekretarie---- Maar ka je begrijpe____Daar is dokter baas over...
En jij Hassel, wat jij ?
Gerrit had verlegen staan luisteren, bang al, dat ie straks dokter Troost zou zien.
— Nou Weimer, daa's nie best mi't waif.... mi de doag
ergert sai.... da laikt puur toof'rai____hoho !.... hoho !..
wa' da' mins skeelt---- hoho.. hoho.. ik wou juustemint
dokter effe spreke....
— Goed hoor, ga maar effe hier in de wachtkamer ! Ik zal dokter daadlijk zegge dat je 'r bent. —