283
Met duizel en gloeiing van woede in z'n hoofd, ging ie terug.. Z'n kinder-poppig gezicht stond stram. In giftige vegen rukte ie door z'n baard, bisschoppelijk-zilver op kielblauw.
Tot laat in den avond bleven de jongens op 't land. Als wisten ze van geen ophouen en vermoeienis. Dirk neuriede zachjes, want nou, t'met over 'n half uurtje zag ie z'n meid.
Overal op de akkers van bollen en tuinderij stond nog werkvolk te wroeten in den grond, koppen gebukt naar de aarde, nekken weggediept achter groote zonnehoedranden. Soms in halsheffing even, keken wat verbronsde koppen op, staarden lichtende oogen rond, in 't wije akkerland. Dan weer vóórt,, in kruip, of hurk, hakkend, kervend, wiedend, over den groen-lichtenden grond, altijd gezichten néér, in strakken loer naar 't gewas, handenparen, groot en woest in grabbel, tot zonnevuur wegzonk en koelende scheemring over de velden doolde״ stil en wijd, den nacht in.