276
En langzaam kwam aanritselen heimvol geruisch, uit bosch en zeekant, winde-voetjes door 't loofgroen, in mischenden stap, en dieper de zacht uitgekleurde velden, verzwijmelden weer in zoet bloemenaroom, sterker in avondval. Paarse en violette bloemselen ademden uitgebrand in zachten, stillen schroom ; blanker in verscheem'ring sneeuwden öp de witte hyacinten.
III.
Acht klompen drongen bij deur-gangetje op 't erf, stil en schuin, paar-aan-paar, bijeen. De jongens tukten nog na 't middageten. Guurt stond op 't straatje bij steenen bank, borden, lepels en pannen-blauwgoed in werkemmer uit te spoelen.
Ouë Gerrit liep ongeduldig langs 'n rijzenhok. Er moest gegierd worden vandaag. De mestwagen met beervuil stond donker bedropen, in smeuge smeer, achter de bruinige stuit, stankverwasemend over de akkers. Niet goed zetten kon de Ouë 't, dat de jongens nog tukten; kregelen kon 't 'm.
— Guurt, roep jai de manskappe d'rais.
— Nou Ouë.... la' hullie nog effe....
— Moar main Jesis !.... hullie snurke de honderd uit!....
De hond, vast aan den ketting, uitgemagerd kreupel trek־
beest, woelde onrustig in z'n stinkend stroo rond, beet woest in z'n vervuild harig, jeukend vlooilijf dat rondgedot zat met straatsmeer en geel riet, likte stiekem borden van Guurt af, rond 'r bank neergezet.
Giftig trapte de Ouë tegen z'n ribben uithoepelenden bast, dat ie jankend in z'n nauw vuns-vuil hok-donker terugkroop.
— Heeoo !.... hee doar, wak-kerr ! schreeuwde Guurt 't achterend in, door 't gangetje, naar d'r broers.
In schrik sprongen ze van den grond, met slaapmom op beteuterde wezenlooze gezichten.