256
ie net hevig voelde opduizelen naar z'n kop, stond in sprong klaar, om agent je neer te smakken en z'n spitsen parman-tigen snuit tegen den muur tot bloed te hengsten, te bemo-keren z'n kaken, — met z'n hakken 'm stuk te trappen.
Zoo, zachtjes, in driftduizel zag ie ze wegstappen, zonder dat ie zich verroerde, met vaaggehoord smeekstemmetje van Wimpie in z'n ooren, dat 'm terughield, terughield van razen-den aanval. — Van alle kanten, in morsige drommetjes en havelooze plunje, doorvreten lap en bel, stankzwaar, sjokker-den de ontsteld-verstilde kinderen weer kamergrauw in, zuigend en smakkend op broodbonkies in d'r smerige knuistjes..