92
vloekten als grooten ; be-gutsten de meiden met woordvuil, ׳sprongen als apen, met glunderige licht-oogjes, loerend, dronken en verhit.
Piet Hassel wou ruzie. Dat had ie met 't stelletje afgesproken. Wat zou 't ; gevochten most d'r worden. En Piet was in lol maar begonnen met schijnherrie tegen 'n Duinkijker, dien ie heel goed kende. Dadelijk erin, hakten anderen die partij trokken. Lach-barstend drongen Piet en Duinkijker weg, de partij trekkers tegen elkaar aan den gang ziend. Ach-terhoeksche haatdragendheid en stupiede kijfbotheid stond op dronken z wij meikoppen uit te barsten. Loome wrok, die langzaam maar schrikkelijk opboorde uit gesmoorde gloeidrif-ten. Grooter werd broeiing, rossig toortste walm rond, ver-groenend de zinne-koppen in grauwig brandlicht. 'n Kerk-vaarter en Wierelander waren vlak bijeen gedrongen, eigenlijk niet goed wetend wat ze van elkaar wouen. Een had partij voor Piet getrokken 'n ander voor den Duinkijker. Die twee nou zaten te gieren op bank bij de deur tegen de uithijgende meiden lollend, dat ze voor hun beidjes op elkaar inhakken ;gingen. Wierelander krijschte rauw.
— Bai jullie verdomme.... bai jullie op da gat.... da krot.. stong ommirs 'n bord.... en stong d'r'op.... hier hout 't minsdom op.... da hai je t'met de beeste....
-— Daa's proat! loddermeroakel.... nou.... ikke seg uit volle borst.... Duinkaik bóófe.... Wiereland ónder....
Bang gedreig van alle kanten. Rossige walmkoppen opdringend naar waggelkerel, die bleekig, met scheef vertrokken zenuwmond ׳en drinkers-oogenlicht, doorzingen wou.... Duinkaik bóófe.
— Hou je smoel.... boerekinkel, of 'k sel je 'n lik onder je koakebeen gaife....
— Sakrejenne.... wie breng je mee ?.... seg.... snof'rjenne ! beskimmelde huspot.
Plots hevig bonsden ruzie-stokers tegen elkaar op, door aan-warrelende dans-groep, die langs ze stoof, rondkolkte in stofwolken, gouïg oppoeierend midden in loods, verdween weer, in fantomige, sidderend rooïe walmsfeer, tusschen kankan van