:340
hield 't 'm Vrijdag af!...... Vroeger kon je lekker
boomen over de maintenee's van Pomstok en Co.; over de stille café'tjes met de donkergroene gordijntjes, over alles wat er in de ״Pan" was gebeurd. Je kwam pas op slag als Nathan Bruggemaker, de ruw׳ makelaar, begon op-te-halen over het spel van de gróótste acteurs van vroeger jaren. Daar had ie Snoek, 'n reuze-tooneelspeler van het Leidscheplein. Én Anton Peters, dien hij stapel-mesjogge had zien worden op de planken. Bleef je hart van schrik geregeld van stilstaan! Maar ze speelden toen goddelijke, romantische draken. Je moest gieren om al de mesjoekaas, het opge-zwollene, en toch moest je er om huilen ook! Dat was juist zoo komiek. Mevrouw Kleine Gartman was goddelijk. Louis Bouwmeester in „Narcis", in „Laurierboom en Bedelstaf", in „De Koerier van Lyon", in „Henri de Lagardère", was verschrikkelijk mooi... En Doortje en Frits Bouwmeester en Bamberg... Je hield de heele avond kippevel! Noh!... Och... je begon pas te leven, als ze onder het werk-nakijken ophaalden van Maison Stroucken, van „Diligentia", van 't „Salon" bij Boas en Judels. Judels, in „De voddenraper van Parijs", om nooit te vergeten, al zijn liedjes... Desz-nachs weneer de meeste mensche slape!... God, het gaf Jonas nu nóg een schok! Dol, dol-gezellig was alles... Het „Salon de Varrejeté" was nét een Sjoel; het gonsde en spektakelde er van plezier, lang vóór Kreukniet, Blazer en Bigot! Bij Van Lier dito met een starretje. Je zag en hoorde er alles van de heele wereld: Sarah Bernhardt, Possart en Barnay... reuze-mooi!... Bij „Frascati", bij ,,Tivoli", dito-dito!... En heb d'r ooit grooter droog-komiek bestaan als Kelly? Zoo goddelijk-dom en onnoozel heb d'r nooit iemand gekeken, op de heele wereld. Voor Jonas was dat een bakkes, om zelfs Onzen Lieven Heer te bedriegen. Je schaterde je aan mootjes. Kelly en Bart Kreeft en Bigot!... Bij haarlie lag je geregeld achterover te huilen
van 't lachen!...... En bij Veltman, als Marinelli, bii
Veltman de marqué, zat je te huiveren en te rillen! Zelfs in „'t Stinkertje", jaren later, in de Amstelstraat,
Mesjoekaas: opgeschroefde waanzin.