:307
zich nauwelijks bewust. Onder de }oden werd Henri Rozenheim's liefdadigheidszin verheerlijkt. Hij deelde verbijsterende bedragen uit aan allerlei kleine en groote humanitaire instellingen. Geen barmhartiger man dan Rozenheim. Geen, die wankelloozer steunde en onaan-randbaarder wegschonk, tot in het bezetene, en nimmer naar populariteit hunkerde. De twee portiers van zijn kantoor, mochten nimmer arme menschen afschepen of met ruwe woorden beknauwen. Wanneer Rozenheim maar éven kon, stond hij ze zelf te woord. Zijn gemoedsstem klonk dan warm, innig, vól spontane deelneming. Hij gaf vragers moed, door zijn bemin-lijke hartelijkheid. Voor den één kocht hij een affaire. Anderen schonk hij handelsgeld. Hij nam bergen sigaren en cigaretten in, die hij nooit rookte. Verkapte bedelaars en steunzoekenden, tafelschuimers en bluf-ploerten raakten bij Henri alles kwijt, wat ze voor zijn neus uitstalden. Hij was óver-gul, lichtelijk meegesleept, in deernis gegrepen, en ondanks zijn scherpe, fnuikend-ontledenae menschenkennis, in ae practijk gemakkelijk te misleiden door allerlei soort van schurkerij, die op zijn spontane goedgeefschheid aasde......
Als Henri echter eindelijk bemerkte, dat hij bewüst bedrogen en er koud op zijn mildheid gespeculeerd werd, brak hij af; klonk zijn woord ongenaaklijk, streng en rauw tot op den droesem. Maar hij sprong ook zeer groote lieden bij, Christenen van hoogsten maatschappelijken rang, wanneer zij geld en raad tijdelijk behoefden, voor zelf-instandhouding. Tegenover Joodsche schlemiels en schuchter-nederigen, die niet durfden bedelen of vragen, was hij een engel van toegeeflijkheid. Hij hielp ze zacht hun schuwheid en beverige gêne overwinnen. Hij liet ze eerst alles vertellen. Bleek het verhaal, na onderzoek waar, dan bracht hij, bij hernieuwde ontmoeting, punt voor punt weer ter sprake; had hij ieder ding, het kleinste, in zijn phenomenaal geheugen opgestapeld, verwerkt, en leefde hij er geheel in méé, zoo bezield en koesterend oog-in-oog, dat de geholpene, onder een mengeling van schaamte en inkeering, uit eigen vragende nederigheid zich voelde opgericht.