:283
— Wat mot mijn jonge in dat frótte gebenschte vak omploetere?...
Henri, met zijn fijne voelhorens en zijn scherpen realiteitszin, geboren ontleder van toestanden, overzag in een soort clairvoyance, heel hun bestaan: toekomstige misère, naargeestig gezin in behoeftige omstandigheden rondscharrelend. Het les geven aan middelmatigheden, tegen karig loon, — maatschappelijke verveelde hem liederlijk. Hij had
, , ïndert Durant, was een onbetame
lijke baasspeler, duldeloos vaak door zijn anti-clericale fanfaronnades, zijn vulgaire grappen en vooze vrijdenkerij, die alle geloofs-overgave maar wind vond. Voor een vergulden zak met duiten, zwichtte de heele wereld toch!... Wreedlustig bombardeerde Durant heilige huisjes. Hij was een driftige hekelaar, een zuurpruimer, een avondschender, een tyran zelfs, die alle religieuze en genereuze waarheids-begrippen steenigde, maarvoor eigen oppervlakkig-Voltairiaansch gedaas, volstrekten eerbied opeischte; zoowel als voor zijn stoffelijk bezit.
Durant's ״Co", geestelijk pinakel, stemde peinzend en onvoorwaardelijk alles in en zoog zijn pan-aaltje af tot de graat. Maar in zijn vak was Durant een onovertroffen meester. Geen tweede verstond zóó ingescherpt de kunst van sorteeren, de kunst vooral van het inkoopen en het verkoopen aan vreemdelingen. Durant verkocht zonder kruiperige vriendelijkheid of vleiende beleefdheid. Hebben, ja? Goed. Niet hebben, neen? Ook goed. Weg er mee, de brandkast in... Hij was bovendien van zichzelf, door erfenissen, schatrijk en flapte er roekeloos uit wat hij wou. Durant echter bezat een heel groot zwak: hij was overdol op vrouwen. Zijn hevig-zinnelijke natuur, — branderiger nog dan zijn vrijdenkers-rationalisme, — lokte hem op hachelijke vertier-zijpaden. Hij verscheen overal als de achttiende-eeuwsche vrijdenker-kribbebijter, van een schandvlekkende sensualiteit. De „verlichting" uit Frankrijk, greep het nauwst met zijn eigen wezen als
Frotte gebenschte: verrot en toch gezegend vak.