:273
iedere angstwankeling en de ooren richtten naar elk wanhoopsgetier van concurrenten. Wat hij deed in crisis-perioden, mocht door niemand begrepen worden. Hij zonk in de besloten stilte van zijn eigen roefje en dook plots op! Bij deze diplomatieke verdubbeling of persoons-splitsing, -— zijn eigen gevoelens en emoties verzwijgen, in het verborgene houden, en tóch troebelloos en eerlijk leven, — had hij altijd ziin geestelijke kracht ongeschonden bewaard. Hij groéiae in dit soort van eenzaamheidsgeluk. Het geleek de binnentuin van zijn verborgen leven. Wanneer hij het thymgeurige haar van Esther slechts vluchtig rook, hamerde nü nog, na zooveel jaren saamzijn, een wild-verlangende vreugde zijn nart in; bleef hij voor alle malaise immuun.
Van zijn schooljaren af, openbaarde Henri Rozenheim reeas verbijsterende geestesgaven, soms in felle zelfbewustheid verworteld. Zijn vader, Sallie Rozenheim, had den oudsten zoon altijd als een half wonder aangegaapt, om zijn overrompelend-snel leeren, zijn zwierig-diplomatische omgangs-voornaamheid, zijn hoog-opgevoerd eergfevoel en vaak onbuigbaren nek. Hij leek een kind, aan het Hof opgevoed, naar den zwier van zijn land gekleed. Hij beschikte over een speelsche spreekvaardigheid, een lenige, toch geharnaste fantasie, die je bij menschen alléén in boeken of groote tooneelstukken ontmoette. Henri bracht den ouden Rozenheim soms gansch en al van streek. Sallie zwoer bij alle hemelmachten, dat zijn zoon, de snelzeiler, een van Godbegenadigde was. Deze knaap bracht in alles de weelde van zijn dravend woord en het jubelend-overwinnende van zijn gelukkig gesternte mee.
Vader Rozenheim zei altijd fluisterend en eerbiedig, na het afleggen van zijn tefilien:
— Vrouw, hoor jij Henri zijn vleugelslag niet?......
Vrouw zag op en luisterde, en keek, gevoelloos voor beeldspraak, naar een paar tochtige vlerken...
Sallie was een traditioneele, niét streng-kerkelijke Jood; een voortreffelijk grofslijper, die zeer opval-
Van armen en rijken 18