ELFDE HOOFDSTUK.
I.
Henri Rozenheim was, ondanks zijn opene levenswijze, ondanks de puzzle Robert van Nienhuizen, gelijk De Brakelaar den procuratiehouder noemde, in zijn brandend individualisme zélf een raadselachtig man, die wel groot en hevig oprees in zijn liefde, in zijn plichtsbewustzijn voor gezin, gewin en zaak, maar toch ontsporingen in affaires voor anderen onvergelijkelijk-streng verheimelijkte. Terwijl hij onder het barnen van tijden en catastrophale gebeurten' "eurs en in
industrie, bedreigd werd met
en faillissementen, wilde hij nochtans, zonder overmoed en tarting, voor omgeving en op kantoor geen aasje onrust of angst vertoonen of iets van zijn hoogen glans als toestanden-beheerscher, inboeten. Schoon van binnen soms verknaagd van onrust en angst, door sombere gedachten gekweld,... de buitenwereld mocht niets, maar ook niéts merken. Het lot zou hem niet afgetakeld neersmakken. Waarom koesterde hem anders zijn menschelijk gesternte? Zónder zelfoverschatting, — hoeveel stormvlagen en windrukken had hij al niet weerstaan! Hij moést onbewogen, klaar spreken en handelen, zoodat niemand zijn innerlijke vrees en aandriften-natuur herkende. Ook tegenover zijn vrouw en tegenstribbelende kinderen, wilde Henri benarringen verzaken. Iedere openbaring van beklemmingen en uiterlijke ongerustheid of gejaagdheid, leek Rozenheim een laf, walgelijk gebrek aan levenskunst; alleréérst een ondermijning van eigen machtsinvloed; voorspelde een duister bezwijken. Henri begeerde zélf een verdiept raadsel te blijven voor heel zijn omgeving; niet vast te grijpen, bij kant noch keerzij. Bijzonderlijk voor collega's en mede-kooplieden-makelaars, die heet de oogen lieten azen op