:251
— Och......ziet u...... eigenlijk, neen......nog niet,
meneer Rozenheim!... Maar, dank u voor uw belangstelling...
Kort, maar vriendelijk-bemoedigend sneed Henri af, telkens even driftig en dan weer kalm:
— Laat meneer Jolly je het geld er voor geven......
Je weet... ik wil geen menschen met gewurm en drukkende zorgen om me heen... kan ik niet verdragen!... Die kunnen niet goéd werken... Hoeveel is het?... Wat... duizend?... Hm... 't kon minder!... Enfin, zeg het meneer Jolly...
Tweede boekhouder Bongers stond stuntelig-verlegen, verraste dankwoordjes uit te stamelen, in zenuwachtige haast.
Henri weerde, lichtelijk verveeld, met een hoog handgebaar het dank-gestotter af...
— Ga maar Bongers... Alleen, wees in het vervolg wat zuiniger.
Henri ademde, in wentelende rookwolken onzichtbaar, nu Bongers weer achter den fauteuil-rug was weggedruild.
— U weet... er dreigt aan alle kanten malaise in het vak... Het is voor ons allemaal een hachelijke tijd, Bongers...
Een wolk spiraalde opzij van den stoel het licht van een gebrandschilderd raam in en opende zich blauwgoud, als een opalen orakelgrot.
■— Ik bemoei me wel niet met je privé-aangelegen-heden... maar ik heb je zorgen toch van je gezicht kunnen lezen... Dag Bongers... zeg meneer Jolly, — meneer Van Nienhuizen is toch al terug? — dat ik er voor niemand ben...
De deur zoog zacht als van een brandkast dicht achter den man met de helgroene, angstige oogen en de trillende o-beenen. De omsmoorde rust van het gecapitonneerd privé-kantoor, sloot zich weer over Rozenheim als een zoete beveiliging.
Henri Rozenheim was een der machtigste inkoopers-commissionnairs van Amsterdam. Met enkele andere reform-Joden beheerschte hij, hier, en ook ten deele