TIENDE HOOFDSTUK. I.
Henri Rozenheim schelde zijn tweeden boekhouder Bongers, met een tragisch gebaar alsof hij den elec-trischen stoel bediende. Toen zonk hij diep weg in een wanstaltig-grooten club-fauteuil, waarvan de bruin-lederen rug tegen den deur-ingang plompelijk opzwol.
Rozenheim rookte zich den Olympus op in blauwen wolkdamp. Rooken en overpeinzen, waren voor hem één verrichting. De rust van zijn privé-kantoor bracht Henri altijd ,,dichterlijke betaal-stemmingen over den kringloop der duiten",... spotte zijn zoon, Mr, Leo.
Een klopje.
Tweede boekhouder trad binnen, schuw, stil als een schim.
— Meneer Bongers, ik wil de eerste uren door niemand gestoord worden!
Boekhouder, bij den drempel, kuchte en knikte. Zijn helgroene, angstige oogen zochten schichtig iets en zijn o-beenen trilden. Van Rozenheim hoorde hij alleen de bevelstem en zag hij slechts sliertige rookwolken, bijzijden den geweldigen fauteuil.
— Doe alsof ik op reis ben!
Boekhouder Bongers' smal rugje kromde beleefd.
— Ik kom ook niet aan de telefoon... voor niemand, de eerste uren!
Boekhouder boog al dieper en naarstiger voor de rookwolk.
Plots veranderde de gramme, bevelende zakenstem ״van Henri Rozenheim; trilde er een warmer klank van gemeenzaamheid in...
— Zeg eens, Bongers......kom hier......Neen, vóór
me...... Zijn je belasting-moeilijkheden opgelost?
Bongers, scnuw, trad den olympischen damp in. Hij stotterde beverig, met schriel geluidje: