237
verbrande gelaten en grabbelden in de kar, terwijl een bedelaar in groene lompen, hen nieuwsgierig op de handen keek.
Jaap stortte jakkerend zijn hart uit, over pas-plaats-gehad-hebben d sportgebeuren en raakte doi-opge-wonden bij het zien van een prachtige motorfiets, die zwaar en blinkend tegen een geweldige oplaadwagen stond aangeleund. Ze behoorde een der eerste pakhuisbazen. Over ieder detail sprak Jaap met vuur, als hartstochtelijk kenner en keurder.
Jaap aanbad snelheid, overdolle, waaghalzerige en loutere snelheid. Het gaf hem een prikkelende gisting in het brandende en hongerige bloed; honger naar ruimte om te verslinden. Op een tuf, alléén in de eenzaamheid, en dan alles, alles vér achter je laten; in een duizel, een zalige spanning, met het scherpe gefluit en geruisch van den wind langs je flanken. En dan zoo, lichtende aarde en hemel tegemoet, altijd sneller, duizelingwekkender, altijd de kim opvreten; zoo, zinneloos en hijgend van het razende tempo, de dollemansvaart,... dat stilde alleen den ruimte-honger. En wanneer het
zonnig woei tegen je schouders, je borst____ den wind
verscheuren, in zijn aanzuiging, in zijn fijn-persenden druk; een bezwijmeling van gang voelen, die toch al je
organen verscherpte,...... zoo minde Jaap het rennen.
Daarin hoorde hij nu, anders dan zijn vader Josua, God's woord.
Dennie wipte zijn neus minachtelijk op; streek de hand door de blonde kuif en bestaarde zijn makker onthutst.
Heel de negotie vergat die lamlendige sportkerel, die negenweker. Het was hem ochewei! Van zóó iets had Dennie geen versjtajim. Zoo was er lak te verdiene an de heele massematte... Die knageling werd nog stapelmesjogge van ze sport. Hoe kreeg hij zélf een rechsche op׳ze maag!
Dennie begon toen maar langs stille, lommerlooze Schans alléén te venten en te zingroepen. Soms ineen, hei-dreigend door zijn gramofoon-trechter; dan weer klonk het bij kruispunten, als ver muskieten-gegons. Voor het voddenpakhuis ״De kleine Pauw" toeterde
Negenweker: onvoldoende kostwinnaar. — Ochewei: ach en wee. — Lak: niets. — Knageling: rot.