147
gierde magere Sak,... en ze drie haartjes op ze kale neut... die altoos heb gezeg... me vader is zee-offecier bij de Merine en padrinje bij de Schrutterij?...
— En David Knobbelisch... de rechte soort... zwijg stil... de eeuwige hengelaar... en oppasser an de Snooge toendertijd... die bij vader-zaliger over-huis heb gekomme... heb óók 'n reputaasje!... Alles was hem... wurm an de haak!...
Truddie gilde bijna. Haar oogen waterden toen ze kreet:
— Addesjim, David Knobbelisch?...... Pinte pin-
tades... ze vader... Ik zie 'm nog zóó levedig vóór me... op 't Roeterseiland, driehoog-achter... nummer zesenveertig... mit ze ééne rotte tand en ze hengels!
— Ze vrouw heb loope vente mit éigene ove-gebak...,
— Juistement... en zij zong mesjogge door alle strate niks as: bommele-bommele-bommele-bom...
Bram en Reintje, en toén het heele gezelschap zongen opgewonden mee:
— Bommele-bommele-bommele-bom!...
Alleen Josua zweeg en zat een beetje onthutst te staren.
De toren, even, sloeg het kwartier boven de straatstilte.
— Versta wél....... galmde oom Salomon boven
Reintje's rhythmisch voetgestamp uit....... ze heb gevochte ook... casjeweel...
— Gevochte?...... vroegen Bram en Reintje onge-
loovig.
— Casjeweel... gevochte!
Sak's onderlip zakte zwaarder uit.
— Nega?
— As ze an 't vente was, en ze kwam die andere adelman van de natie teuge... versta wél... Jortje de Solla... de pepiere roebi mit ze kromme ruggetje... boezemvrind van de schroenpoeser Daan Stopnaald... die altoos heb geloope mit trosjes van drie karse-an-'n-draadje-gare, voor n spie, en later mit pospepier...
— Zes veile pos... pos... pos... drie zentef... sneed Truddie snel af.
Padrinje: peet. — Pinte pintades: eigenlijk Piento pintatos: sprekende gelijkenis. — Roebie: rabbijn.