EERSTE HOOFDSTUK.
I.
— Weg d'r mee, weg, weg.... weg d'r mee, kerel! Niet dichterbij !
Ze gilde als 'n dolle in hallucinatie-stuip, de oude weduwe Hoenders. — Ontsteld duwde ze zich achteruit in haar leunstoel, en, de armen naar voren gestoken, graaiden haar magere, doorpeesde handen in gruwbaren angst en afschuw rond d'r heen.
Haar zoon Ko stond kalm vóór d'r. Naast de in den raamhoek geschoven tafel, z'n sarrend-leuk gezicht plooiloos-rustig, gebaarde hij komiekerig, telkens tartend-zacht 't egeltje op z'n hand verwiegelend. —
Wat beduusd van haar lawaai, struikelde hij 'n eindje achteruit, al schuwer en bedremmelder door haar aansterkend ge-krijsch.
— Stil toch lieve mins, schreeuw soo niet.... de bure salie denke, dat 'k m'n wijfje van jetje geef! Kijk 'reis an, 't is maar 'n onnoosel stekelmannetje.... niks meer as 'n groote tandeborstel....
Maurice Fleury, de buur-van-drie-hoog, stapte net de trap op, hoorde 't gegil en gekrijsch van de oude vrouw, kwam ontsteld, zonder kloppen de kamer inloopen, met bangen kijk vragend, wat er gebeurde.
— Niks an 't handje, amise! Aldegaar larie en apekool van
1