3«3
— Moar main fésoèn ! main fesoèn, huilde de Ouë in zelf-opwinding.
— Je fatsoen, dat weten we allen, is onaantastbaar ! je hebt je altijd als 'n brave kerel gedragen. Ieder heeft met je te doen. Maar jij bent niet meer wat je was. Je kunt geen toezicht meer houên op je zoons,.. en die zou ik voor al 't geld van de wereld niet willen hebben, hoe zuinig ik ook op mijn klantjes ben.. en de armsten onder jelui steun !.. Maar dat zijn hassebassen, geen land mee te bezeilen. Als jij niet altijd zoo fatsoenlijk was gebleven, zou ik je ook nooit zóó lang gekrediteerd hebben, maar je was netjes, geen zuiper, beleefd, stil... maar nou wor je oud....
— Moar main fesoèn.. main fesoèn, bibberde mondzenu-wend met öpschokkende huilstem ouë Gerrit, — ikke sit hier al fairtig joar t'met. —
— Best man, maar je moet kunnen betalen.. ik heb je destijds 'n drieduuzend vijf honderd hypotheek gegeven op je brokje grond... Dat is nou 'n heelen tijd geleden... je grond is er niet slechter op geworden, dat zal ik niet zeggen.. je hebt je rente, altoos moeilijk, maar toch betaald,.. en jij hadt je grond vrij.. Toen heb je bij meneer Stramme 'n tweede hypotheek genomen, nog eens van duizend pop... 'n slecht jaar, leelijke oogst.... tegenvallers hier,.. tegenvallers daar.. twee koeien dood, nou.. nou., zat je., zat je an de grond., en....
— Moar ieders tuinder weut tug wa' sain boel woardig is hee ? hoho! uwes wist wèl wa je déè hee?.. stotterde woedend ouë Gerrit bleekig van drift, — main grond is d'r nou miskien 't dubbele woardig....
— Soo, nijdigde nü Beemstra stroef, weet iedere tuinder dat, maar weet iedereen dan wat ik bovendien van jou nog., te vórderen heb ?.. Nou kerel maak je me boos!.. Nog brutaal op den koop toe. Als jou rommel bij elkaar door de heeren taxateurs op zeven a acht duizend gulden geschat is,.. mag 't veel
zijn. En tel eens óp wat ik van jou____te., vorderen heb...
met alle onkosten daaraan vast ? Wat drommel wou jij nog spreken !