359
'n schriklijke lach, 'n voluptueuze hoon, lonkend en lokkend, ophitsend de kerels in den schroei van hun brandende zinnen.
In 't roodgelig en goud-dampig doorsmookte hol, benauwden al meer menschen. 'n Lucht van slachterij, waar zoete bloed-stank en warme vleeschreuk doorheen zuigen, verwolkte, en de zweetige zoetheid der uitwasemende paren klefferde broeiig langs de stinkende wanden. —
Geert wou wèg. De lonkende leelijke zangeres hinderde haar.
Gruwelijk gemeen vond ze telkens dat optillen van 'r satijnen rokje, dat vrijen met 'r eigen lijf. 't Maakte 'r valsch, jaloersch.
Met lawaai stonden de Grintjes op en Marie tumultte mee. In hos en hiha's kannibaalden ze dronkener en verhitter met zwartigrood verbrande tronies, doorzwollen en onkenbaar gerammeid van driften, de Baanwijk op.
Bij akrobatentroep bleven ze even uithijgend staan. Heet geloer was daar op nekknauwende toeren van straatkunsten-maaksters, meiden in triko's, rugstrengloos achteroverbuigend in zwel van dijen en buik.
Maar de Grintjes wouen verder. Dan hier, dan daar moesten ze heen, in hurriënde hitte, dwars door slingerrijen, meesleurend vechtenden en vloekenden.
Willem en Dirk waren samen bij 'n waarzegster, die ze gelokt had, met vleistem van 'r mooie dochter. Samen waren ze inge-strompeld, omdat de een den ander niet alléén vertrouwde bij Geert. Tooneelig-geheimzinnig pronkte tentje van somnambule. Weeke mysterie-stem van 'n wondermooi meisje lokte.
Maar Trijn had den dood voor de waarzegsterswijven zélf. Ze durfde niet, en de andere meiden ook niet.
— Puur nie ! daa's tug soo ellendig an 't uitkomme hee ? wa soo'n meroakel je sait! die hep d'r puur je laife in d'r hand !
— Poeh! tog aldegoar.. poppe____poppe----kast, blufte
Piet____nou dan koop ikke je fratte veur drie sint----bi je
hullie t'met kwait!
Marie gaf Trijn gelijk. Geert begon te weifelen, Cor en Annie twijfelden mee, en de Spaandermastjes gierden van zenuwach