331
duivelende gfinniktronie spatten, lippen en kin telkens even gloedrood opvlamden. — Haar naakte lijf in schaamlap om-plooid, danste nerveus met klapperende sprongen op de kreunende en trillende tooneelplanken. Haar armen pagaaiden en doller 'r keelkrop verkrijschte zang. En telkens, als vuurpunt van nieuw brok sigaar, 't hevigst opgloeide in 'r blaas, sperde ze de kaken, d'r grauwe lippen er in botten streel overheen aaiend, beet ze toe, kauwde en spoog ze vuur, achtereen, verslindend sigaar op sigaar.
Hazewind braakte van pret. De meiden gilden van schrik, maar Cor en Annie hadden er genoeg van. Ze wouen niet langer blijven. Guurt was woedend dat ze weg gingen. Geert Grint holde ook mee, de jongens drongen op, Willem naast Geert, Dirk dadelijk er hanig-haastig bij.
Jan Grint drong zacht mee, maar Guurt snauwde, beet van 'r af, volgde in wrevel. Ze was weer nuchter, verwenschte de gloeierigheid van den zwartkrulligen Jan, die z'n oogen uitschroeide.
Vlak voor hen uit, stormde uit kijktent er naast, 'n schater-drom, die daar 'n reuzin van zevenhonderd pond had bekeken. —
•— Alle jesis waa'n hurk ! hep jullie sien ? da binne d'r fier-kant tien van main maid, lalde 'n vent, slap-lachend en in bochelige verwringing de tent uitzwaaiend.
Meiden, dierlijk verhit in smerige taal wellust van kerels bij 't reuzinnewijf, barstten eenmaal op straat, mee uit; lebberden zich vast op de zuigmonden der hysterische drinkebroers, ver-krijschend na eiken zoen, hun vuile liedjes.
De meid-tailles omkneld, de monden op elkaar gezogen, hosten ze in blinde razernij, de lijven in branderige lusten op een geplakt, door de paukende roffeling en dreuning van de gemartelde orgels.
Stoet bij stoet, in zwalkenden krijsch, holde achter deHassels en Grints aan, en telkens, dronken zwaaiende paren, strompelden uit 't duister in den brandschijn van kramen en spellen. Van zangmond tot zangmond ging de flescb rond, en heele rijen lam gezopen en verflodderd, braakten langs de boomen, verstrom-