325
en eierkraampjes in nog valeren pittengloei. Achter de zuur-tonnetjes in walmig geelrood, wonderbronzig verbangden tronies van kerels die schreeuwden tegen 't beverig getoorts en gewaai van licht, dat rosgeel schemerleven op de zondige zorgmommen rookte. —
Telkens wat schooierige stelletjes, waggelend en brallend, bleven strompelen voor de kraampjes en vraatzuchtige monden hapten lever, verkwijlden zuur; gretige handen pelden stinkende eieren, eri ontvleesden paling. Broeirige vischstank borrelde tusschen de bakolielucht. —
Kerels en wijven lalden aan, bebonkerden de wrakke kraampjes met hun vloeken en razernij en, de tronies gedoopt in den wond'ren bronsgouden flakkergloed, en omkropen van schaduw^ leven, dat meesloop wen menschen zich tusschen de lichtdamp drongen; schimmen als zwart-walmige nagenieters van kermis-jool. Schaduwkoppen monsterlijk doorhakt, verdeukt en misvormd spookten donker onder en over 't laag gespannen zeildoek, dwars tegen bakken en tonnen öp, warrel van schimmen, plots bij verschuif van stoetj es raadselachtig stil verdwijnend door de wrakken heen, of neerstortend in lichtval van voorbij-kruisend licht.
Achter de armelijke kar-kraampjes, in hun droeve prachtsfeer van geelrood en bronsros lichtgetril, half omdampt in 't nachtduister, lichtten de hooge roodbehangen speelgoedtenten, minachtend de donk're ruggen naar de wrakstalletjes gekeerd. Ze schitterden in hun fel-kleurigen ballonnetjesgloei, illuminatie-achtig-hel, gegierlandeerd langs de lijnen van vensters en gevels, doorvonkt van lichtjes. —
Het rood-gouden, rood-gele en dampig-bronzige licht stortte, druischte neèr op den verblindenden flonker van poppetjes, gegarneerd in prachtbonte kleeren, omstrooid van kleurtjes, geflikker en geschitter; omgloeide woelige snuisterijen, paardjes, schaapjes, met vurige keelbandjes; karretjes, tooverbekertjes, ringspellen, alles geurend in den lokkenden reuk van nieuw speelgoed. En overal in de tenten, wond're fonkel en tintel van koperen belletjes en kralen, als indische gordijnen neerhangend,