324
mende meelpotten, tempelig in glorie van amber en goudgeel uitlaaiden, glimmerenden brand van hei-gepoetst koper.-— En achter en tusschen de vlammende altaren en gouden meelpotten, in flakkerenden damp, de blank-beservette wafelentafeltjes, om-flonkerd van vuur-glans uitschietende karafjes en glazen, alles in blank-zilverende sfeer, gloeiend in rijtjes, tusschen de rood-donkere overgordijnen, stoeltjes en knussige salonnetjespracht. Rij aan rij, achter de ovens, troonden de dikke baksters op de hooge zetels, als vervette mythe-godinnen, in de blonde wreedheid van hun geblankette tronies, scheppend uit de meelpotten, den druipenden lepel uitstortend over de poffertjesplaten, waarop 't knetterde, siste en babbelde. — Er boven uit vergeurde 'n helsche lekkerheid van boterig zoet, tusschen prikkeligen bakoliestank. De takkenbossen knetter-vlamden; flakkerende smookgloed karnavalde allegorische lichtgroepen in een duizelenden schroei, en angsthellig 't oranjig demonengoud van de oven vlammen vèrdampte walmen over de vloekzang-geruchten. Rond den knetter en rook-rooden bak van poffers en wafels ; rond de klepperende geluiden van tangen, sis-roosters en ijzeren platen, dreunden de helsche orgelkelen tegen elkaar in, in schellen tingel ; en rauw van verslempende misère schreide de men-schenzang rond, van de lichthoeken neerjammerend in den duisteren nacht, overal om 't stedeke, ontzet en dreigstil. —
En heller de avondgouden lampenbrand van kramen en olie-bolt entjes, met hun kleurige dekzeilen en kakelenden lichtwarrel, vlamden, goudden, rossigden en barnsteenig-geelden in flonke-rige sfeer, als speelgoed van reuzen. —
Drom na drom schoot er langs, en de boomen voor de tenten, tusschen de dólle hossers, als levende van schrik verstarde wezens, knokeldeh en knoestten in hun gekerfde schors, half belicht, de donkere kruinen angstiglijk verruischend hoog in 't nachtzwart.
Op Baanwijk stonden armelijk verlicht, tusschen sjofele oliekoektentjes, roetig omwalmd van lampetten, de palingstalletjes in geel-schichtig lichtwaaisel, omhuifd van nachtzwart; de zuur-