322
meiden door 't licht, parkietig, groenroode rokken en jakken ; paarszilverig bekraalde japonnen, geel gouden en bronzen manteltjes, pronkerig döoreenschuifelend in ballettigen warrel.
Wild hosten de goud bekapte boerinnen, hun hoofdtooi in fonkelende cier uitblinkend onder 't fijne mutsengaas, met de glanzende kurketrekkers bij de slapen, naast hoed-bepluimde, slank-prachtige meiden in den warmen wasem en damp van 't lichtgevloei.
Rauwe krijsch, zwirrelde achter de Hassels en Grint's aan in 't steegje, en schimmige rompen met bangen schaduwsleep stortten plots in 'n vlaag van kraamgloeilicht, vlak voor hen uit weer vervlammend. Oranje helle gloed sloeg daar tegen de tronies aan, de monding van kloostersteeg uitgolvend. In gril en kras streepvlamde de gloed op voorhoofden, dwars over neuzen en monden, vrat hel in op kleeren en schouders ; beschminkte in wond'ren brand oranjevlammig, wild en huiverend-woest, kaken en wangbrokken, soms plots in warrel van wind verschemerend naar roodgeel, rossig oranje en bleekgoud. —
Omzoomd in beverig rosgeel schuifelden de Hassels en Grintjes voort, en ver achter hen aan, in schemerrood dromden al meer romp-donk're dringers, verklonk hijgend rauw gejoel van nieuwe stoeten, zich stortend en wringend in den steegdrang, ineengeperst tusschen engen kronkel van huisjes, karren en hekjes, als 'n benauwende bent z'n duistere opstanding bewor-stelend.
Uit donk're kroegjes in 't steegje, verraasde getier en misbaar achter groene gordijntjes, schor-rumoer en dreunig zanggezeur. Schunnige muzikanten trombonden daar uit, schel-valsche zangscheuren, basdiep en dreunend.
Telkens ritsten groene gordijnen weg van de roe en rossigden de kroegholletjes goudrookig open, met hun bedompten petro-leumwalm, verstikkende danszaaltjes, kermissnel ingericht voor sprong en zuip.
Kerels met oranje doeken, boevige kroegtypen en zweetende meiden zwelgden daar in dollen warrel, en tusschen de moffen-