319
V.
Vóór de paard-draaimolens stonden de neven Hassel. Achter hen golfde 't van kijkers en gillers.
De havenhuizen rompig, rossigden gevel-naakt in den schrik van 't licht, en de lage ruiten gloorden in bloedrood, groen-geel en goud geschijnsel, weerkaatsing van bakovens, lampions en kleurige hosstoeten, voorbijrennend.
In heel eigen, geel-gouden sfeer, wentelde de paard-draaimolen. Uit binnensten kring van lamplicht, dreunde 'n orgel, ééndeunig, en 't donk're paard, den draaimolen in gang trekkend, duisterend, éven belicht aan z'n kop, liep in 'n eeuwigen cirkel, groezelig achter lichtjool. Binnenste lampenkring brandde in geelrood afgebeuld licht, bleek neergroezelend over zwart fluweel, onder de kleurwemelende kap, meer naar voren moorschen brand van glansjes en flitsjes verfonkelend tus-schen zilverig ornamentwerk, gitkleurig kralenspel en doorgloeide franje.
Een duizel van kringlichtjes spetterde er rond. Tusschen 't belgeklingel, in gang zettend en afbrekend elke ronde, wiegelden de hobbelpaarden en schommelschuitjes, vettig befluweeld, donkerrood en groenig. En al ouderwetscher, naast den stoom-draaimolen met z'n hel elektriek, wentelde de karoussel, in 'n stillen klater van kleurtjes en lichtjes ; vlamde en bruiste óp, uit tooverballettigen gloei van voorsten lampenkring, praal van zilverkraal en goudstiksels. Dan wegwaggeling van pluche, dan opschommeling van fluweel, in één draai en duizel van avondkleuren, omdruischt van tegen-elkaar indreunende orgelstrotten. —
De koperen stangen, — tusschen de kromklauwige leeuwen en tijgers, met hun druipende grimmige bloedmuilen, — schichtigden rond in glanzend goudstavig geel. Warrel en tegen warrel al om van rood en paars, rose en zilver, borduursels en fluweel, spiegelglans en bontstralend gekraal, draaiend, al draaiend in