292
Eindelijk klonk de bel weer, smakte sloepjes-lucht val terug. — Dirk en Geert strompelden dronken en waggelend uit, en al de meiden aemechtig lieten zich de bootjes uittillen door de opgedirkte knevel-guitige matrozen, die gniepig streelden en knepen, als felle kereltjes lonkten en tastten.
Dansend bijéén op de estrade, roffel-hakten en stampten de Grints, Hassels en Rink de tent-trap af. Henk, Klaas Koome en nog 'n paar makkers stormden aan, ieder met 'n meid, die telkens wisselden van vrijers.
Mooie Marie Pijler, prachtslanke blonde furie, kankaneerde vóór den stoet 'n woesten dans, met één been de hoogte in kapriolend, haar rokken kniehoog opgerukt, onder krampigen zwenk van 'r lijf. De Gr int j es en verblufte kerels om haar, op de tent-trap, klapperstampten en joolden mee van pret. — Maar Hazewind alleen sprong in sluipende lenigheid vlak voor de furie, danste 'n vervariëerde horlepijp met slappe kuiten en slappe polsen, als 'n Engelsche komiek dof klapperend met z'n zolen op 't hout. De meid Pijler draaide langzaam, één been al hooger uitgerekt om 'm heen, in verwilderde oogen-extase. Haar blonde haartooi vlamde óp in gouden rossigheid, vol-gedrupt van flambouwenrood, en 'r zwijmeitronie, in wondre omstraling van harenglans, begon plots te proesten in helsch geschater, 't Woelde om 't stoet je, de luidruchtigste lachende zangers van heel de luchtschommeltent.
De Grintjes en Hassels, nu mèt Marie Pijler bijeéngegroeid, juichten plots, toen ze 'n endje van de estrade, in 't helle elek-triek, Guurt Hassel oppikten ; Guurt, die alleen had staan te koekeloeren naar d'r sekretarieheertje. — Jan Grint pakte 'r vast, lolde er opgewonden meè. Aan één rij, in slingergang, dwars door aanstormende en weghotsende stoeten, kankaneerden ze de Haven af. — Plots kwam golvende massa opdeinen uit steegjes, die meesleurde 't stoetje, en al de kerels en meiden weer terugdrong en neerwierp vóór de luchtsloepen, de plek waarvan ze in zwier en zang, afgehost waren. Dat maakte Dirk en Rink nijdig, en woester stortten ze zich in den kermiswoel, sleurden de meiden in armenknel en dolle vaart mee, werkten en trampelden