2 73
tusschen de wijven, dralend en bedelend, versmald in den knel hunner rood-vale en groene misère-jassen. —
Daartusschen in forschten öp, donker bronze kerels, met koperig ringwerk in d'ooren gedraaid, zwart-glanzend haar, kleurige doeken om den hals, melodramatiekerig-romantisch in hun zuidelijk armoekoloriet, hun tambourijn in knuisgedruisch van rinkel en bellenzang, met tenoor-beverig weemoedslied begeleidend.
En telkens de romantiekerige Mignon-schooiers, snauwden scherp-radde woordjes neer op de bedelkindertjes, als kleurige deurtjes van cynische Bikkerstraters gesloten bleven en bakjes niet meer kletterden van rondgestrooide centen.
Zoo ging er al twee dagen, voor opening van kermis, sjofele woel en rondgang in alle Wierelandsche wijkjes en achterafjes; bleef jubelende klinkklank schetteren in kleurige deunen ; klompklepperden om de orgels al meer kerels en meiden hun boeren-kankan. 's Avond's vooral, als op de drukke, breede Baanwijk, tusschen duisterende geraamten van tenten en kramen, vlammig fel licht uitschoot, van de winkels, de stoeiende paren over-beefde in rood-gelen walm, en kleurige vóórjubel van kermis demonisch tegen de half-aangegloeide boomstammen oplaaide, schroeide rond in avondbrio, de duivelsche zeng van karnaval-gloed.
Op de Haven was de voorwoel 't hevigst. Daar zeilden en dobberden de schuiten aan, voor den wal. — Woeste hunkerende jochies, doortrild van kermisrazernij, smakten zich als wroet-miertjes op de spul-brokken, van schuitdekken afgevoerd naar standplaats. En al luider, door den nog drukken sjouwen markthandel der groenboeren, dwars door vruchten en voer-karren, ging de gistende kermiswoel. Werkelooze sjouwjochies en schoolkinders hijgden onder de vrachten die ze te verdragen kregen, planken en fundamenten van draaimolens, vuilkoperen stangen, paarden en ringwerken, staven, wilde dieren en kleurige lompen. Ze hijgden, met kramperige pret van aandoening, en dolle lol-stralende oogen. Ze gierden dat ze zoo vlak bij, in hand-tastende aanraking leefden met de heilige kermis-brokken. II. 18