272
groeid stonden. Ze hooren 't lawaai van de kermisrazernij, de vreemde stemmen en spraken. — 't Zien aandrijven van schuiten, met 't kleurig spul van brokken schiettenten, draaimolens, bont gestraal van zwaar beverfde schommelbakken, goot scheuten gierende pret over de popelende kijkers. —
Vreemd getrappel van hitjes uit 't paardenspel hoefklakkerde over de Haven, en de kinder-kijkertjes omkringden, wild en verbluft in verbijstering, de beesten. Gemompel en gekonkel tusschen de Wierelanders klonk overal door, al maar over de kermisjool; wat er zijn zou, wat er was, wat 'r komen ging.
Schetterende voorklank en rauwe jubel van lol, brachten de straatorgels, twee dagen vóór 't openen van kermis, — dertig levende klank-orkanende wezens, eiken ochtend vóór 't stadhuis bijeenwaggelend in rij, om van die gewijd-officiëele plek uit, heel Wiereland van alle kanten vol te roffelen, te betrompetten, te bepauken in schellen schater en daver, te omgolven met heet getjink, geraas en gedreun van dooreen rammelende klanken. — Midden in tragen zwoeg der landwerkers omdaverden ze de straatjes in hellen joel en roffel. Soms rammelden drie orgels naast elkaar in de deftige Bikkerstraat, in heet en donder van trombones, de stedekestilte met klankrazernij verpletterend. Aan de huisjes tingelde 't den ganschendag; gingen schuwe armoe-kinders, in doorvreten plunje, naakt-beenig en stank-verwase-mend met 't bakje rond, liepen moeders achter de draaiorgels aan, in gore ellende van stoelenmatters-scharrelaars. De wreed-snuitige kerels, 't straatorgel verrollend van deur naar deur, bleven door-draaien onder 't voortwielen, en in woeste gluiperigheid knorden hun harige dier-woeste tronies, snauwen naar wijf en bedelkinders. Als verstrooide optocht van melaatscben schooierden ze achter elkaar aan, de klankengekke orgellui. En 'r óm, de angstig-verschuwde vrouwenhoofden, mottig-wreede en blondharig, verwilderd-romantische, op zwaren borsthang kinders sjokkend ; en de rossige en zwart-besnorde boeventronies, van mannen, jukkig gekaakt, doodelijk uitgeput met schuwen oogenkijk van gluipende overrompelaars en hongerende dieven ; of zwaar krachtpatserig d'r lijveu, in landloopers-gezondheid,