228
onder 't berghooge goudhooi, z'n schonken en kop overhuivend. In beukerenden ruk en pracht-spannenden spierzwel, de pooten pezig gekromd, de flanken gestrekt, kop in snuiving laagge-bukt, hoefklakkerde 't paard op den grintdijk aan. In waggel kraak-hortte de wagen voort van den dijk.
Kees en Ouë Gerrit hingen zich aan de binten van 't achterkrat, met armen vastgehaakt, half-sleurend langs spanrand en touwkruis, om den berg te stuiten in z'n snel-sullenden gang van schuinen dijk. Zoo hobbelde de wagen voort, angstig scheef-hellend den straatweg op, klaar, om bij 'n dommen zwenk neer te smakken, breed-uit op gloei-blinkenden klinkerweg van polder. —
III.
In den middag stonden de hooiwagens weer leeg op den dijk. De wind was uitgevlaagd, brieste nu koeler in den zwij menden polder, en zilver wolkspel, veerig blank, doorpluimde in ontzaglijke zwierlijn, 't hemelruim. Achter, bij horizon, stapelden wolktronen, paars en violet in dampig en vochtig goudlicht. Van alle kanten uit, achter dammen, dijken en paden, waggelden de hooiwagens weg, als 'n zwoegend versleep van duinen.
Gelijk 'n blinkende witte baan, lag gloeizanderige klinkerweg naakt te blakeren tusschen 't groen, 'n Adem van zeezoelte koelde soms over 't land en in mistig violet slankten de dorpstorentjes op paarse kim. Wijde middagrust, zwijmelloomde en suizelde over klaverveld en bouwgrond. Meer bijeenge-dromd in de middaghitte groepten de droomrige trage koetjes in vacht-pracht, en smijige huidplooiing. Wat watermolentjes wiekerden, wlekerden, en bestoven van luwe dampen, schitterden de slooten of effenden met kroos, in dof prachtgroen, pastel-tintig omstreeld van innig licht. —
Om zeven uur nog stonden Dirk en Kees den laatsten wagen op te laden, nu vlugger en rustiger werkend, in den