68
Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende wa.ar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigeri gloei van gevelsteen cn beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid. —
Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig, — bleven op 'n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.
Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aarde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven 't Westerdok, waar teer-walm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten. — Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte öp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in 't verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde öp orgel-dreun, kanaljeuze stem van zonne-stad. — Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook daar ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in 't hartje van 't gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven. —
IV.
In den middag tegen vier uur, stond Dirk weer met z'n kar aan ,,Tuinders Geluk". Loom en doodop, sjouwden de venters