65
Dirk had 'n bak of tien, niet te gebruiken voor z'n klanten, verkocht aan 'n dikke meid, die op z'n karkruk wiegeldijend en breed-uit d'r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen. —
— Nou seg erijs blondje.... vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk 'n huiver van wellust voelde kruipen door z'n korpus, feur die daar as je d'r nou 's drie sint seit !.... drie pop de honderd!.... hai je dèn je b'komst ?
— Bi je bedwaild geep ! donder moar op ! he jou neudig ! die vaif veur vier pop!., gain duut minder!., je ken d'r bai main nie fïgelaire !....
Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vóór d'r neus zag ze Ka al, met 'r blanke jak wurmen tusschen karrenkronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van 'r zachten dij-wiebel öp naar Dirk, die norsch-stom z'n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, natellend op haar vingers en d'r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog clan ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breeduit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokkenspul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk's kijkers in te staren, geil, verliefderig. —
— Nou blondje., toe nou!..
Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur ; 't rood dat zengde, 't oranje dat gloeide van hitte en 't losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar samen, in den geluiden ver-mokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén. —