04
bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samen-frons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z'n voorkop. — Z'n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder 't stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z'n oogen, staarde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z'n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z'n schorre, äffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend, — die iets merkte van Jood's vermoeienis. Z'n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z'n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zanger igen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend. —
Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z'n tafeltje, gevangen door z'n schijn-gratie, z'n zeg-vuur en opgewektheid.
Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om 'm te steenigen als ie hen bedroog, 'n Paar jochies zwierden óver koppenkring heen, pairaak, hem vuile groentenstronken in 't gezicht, en kinders gilden plots, boven 't marktgeroes uit : smaus! dief!.... rotte jood!
Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z'n tafel neervlerkten, achter z'n kruk, lachte stil, ironisch-droevig. —
Plots lichtte ie z'n grooten donkeren hoed, beleefd van zwart-krulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.
— Hooggè.... wäärdeerd publiek.. Ik heb.... den bij zonderen èèren mij-zelffers ään Uw.... voor tè stellén.... Ik ben.... tandhéélkundigèn... mijn naam is... Jaack Rözel... woonachtig.... sedèrt.... drie-en veertig jaren.... te Rot-tèrdam.... nüummééroo zés-en zèstig.... alwaar ik.... prakkiseer.... sedert veertig.... jarèn. — Ik ben____ dén zoon