227
grillige juffrouw te kennen, moet men weten, dat zij op een vraag van haar aanstaande antwoordt: ״Jonge manne trekke me niet aan, allemaal bluf, niks geen degelijkheid, nee... te oud vind ik je volstrekt niet."
Dat ״allemaal bluf" dezer juffrouw Maggie is over-kostelijk. Maar er zijn meer van dergelijke overkos-telijke uitdrukkingen, die dat grillige schepseltje zich permitteert en dikwijls geheel uit de lijn van haar innerlijk en Emants' psychologie vallen. Als Emants ״,t soepele figuurtje" ons wil laten zien, zij 't dan ook door den verinnigden indruk van Hendrik, dan heet ze ״bovenaardsch liefelijk," dan heeft ze ״raadselachtige kijkers onder wenkbrauw-lijntjes," die wel ״gepenseeld lijken," die de oogen ״sierlijk over-bruggen." Verder is 't een juffrouw, die 't wonderbaar-lijk-herculische vermogen schijnt te hebben, om 'n mensch als 'n wesp van zich af te slaan. Op p. 36 nl. staat het volgende harkerige zinnetje:.... ״als hij onwillekeurig zijn hand uitstrekt om de hare te vatten, slaat ze hem plots als een wesp af, grauwt
ze hem toe" enz..... De bedoeling moet zijn, dat
ze een gebaar maakt, alsof ze een wesp afsloeg, maar ״hem," den ganschen man, als een wesp af te slaan zal toch ook wel buiten de ״bovenaardsch liefelijke" sfeer van deze dame vallen.
II.
Heelemaal is er op stijlwendingen en taal zeer veel ontleding toe te passen, die zeer duidelijk het nu en dan groote onvermogen van Emants als woordkunstenaar zou doen uitkomen. Zoo b.v. op de eerste pag. ״fietsen" op bergtoppen vlekken gloeiend goud. 't Is volslagen onmogelijk iets dat fiétst ons meteen voor te stellen als gloeiend, twee elkaar