145
krtfschen als een Amsterdamsche straatjongen, maar dat is ook niet het kind-in-hem dat krijscht.
Denk niet dat het kinderleven bestudeeren, — niet met 't droge controleerende, voor de fijnste gevoelswendingen onbuigzame schoolvossige en korzelig-aan-gespitste verstand, maar met de ontroerde ziel, een uitwendige geestesarbeidzaamheid is, een oppervlakkig en lichteUjk-doorstoeid werk van de observatie. Het speculatief vertroetelen van mooie meisjesharen en onschuldige wangentjes en dottige virtuositeitjes van liefdoenerigheid schept geen indringen in het innerlijke leven van de geheimzinnige zieltjes. Ge treft onder de kinderen alle soorten typen; profeetjes, die alles voorspellen en in groote onbewustheid staren naar iets eindeloos vér dat zij alleen zien en begrijpen, en waardoor ze altijd de bekende ontstellende vreemde kindervragen kunnen doen.
Ge treft er onder, merkwaardige fantastische leugenaartjes, mannetjes die liegen uit onbewuste scheppingsdrang, naar 't zien naderen van iets groots, heroieks, iets vreemds en onbereikbaars; ge treft er onder stille verschuwde droomertjes in wier oogen een ontzaglijke, onverklaarbare weemoed droeft, een heimwee naar 't onbekende, altijd in eigen gedach-tetjes weggezonken en tot zelfs in hun vurigste spel, de mantelpurpering van een held-Arabier zien, of plots schrikken voor de bronze tronie van een Apachen-sachem. Ge treft er dichtertjes die luisteren naar het verre kabbelgeruisch van de Boode zee en u verhalen doen uit vreemdlichtende landen waarvan we nooit het bestaan vermoedden. Zij zien plots ttsschen hun rekenboek en den bovenmeester de glinstering van een gouden pluimhoed, van een ridder, een roover, een groot bandiet, en stil al minnen zij
Studiën. 10