CORNELIS SPOOR. — KIND EN KUNSTENAAR.
I.
Lsge na zware en zeer vermoeiende zwerftochten tot in den laten avond door een groote stad, eindelijk op de stille werk-kamer terug keert, en ge ziet nog éven het vuur in den haard roodjes gloren achter de beslagen mika-ruitj es, dan voel je een zalig verlangen naar uitrusten om al het geziene en doorleefde in een zoete peinzerij te verdroomen.
Uitrusten en weer op adem komen en vooral niet slapen, in een neveligen drang niets doen dan droo-men, suffen, soezen en het nachtgeruisch als uit een stille schelp op je hooren aanfluisteren.
Op zoo'n avond heb ik 't zuiverst gezien wat er in den kinderschilder Spoor omgaat. —
De menschelijke natuur is toch van een wonderlijke grilligheid. Men begrijpt soms zijn eigen gedachte-bouwselen niet, noch den diepsten aard van plotseling ontbloeide geestelijke verlangens en begeerten. Ieder ménsch is toovenaar in zijn eigen ziel, en fakir, vreemdvan-ontroerend doen voor zijn eigen peinzingen. Plóts
128