126
erotische liefde-hart van éen vrouwelijk •schepsel aan allen kant heeft doorgrond, in iederen vezel heeft geraakt, deze man-van-zeer-groot intuitief indringings-vermogen behoeft geen karakters uit verleden-leven uit te denken, uit mythologische en historische gegevens te construeeren. — Ge vindt ook daarin zijn taalvermogen nog brillant? Zeker, er leeft facettenglans in zijn woordpralerijen. Zelfs op de pagina's, waar gansch en al zijn literaire ondergang uitstuipt, glanst nog een gebroken schijn van stervende schoonheid. Zoo dikwijls heeft zijn woordkunst, zijn proza de schoonheidskleuren van rottend loof. Want dat is toch stellig van wondre schoonheid in de plantenwereld. Al wat sterven gaat daar, zingt zich eerst nog uit, in een gloed-brandende kleuren-melodie. Daar bijvoorbeeld, hebt ge de herfst-schoonheid, eigenlijk het lied van den dood, de marche funèbre in coloristische tooverij. Zie nu het rood van 't stervende, verrottende herfstblad, het geel, en het goud I Wie denkt er aan gistende stoffen? Alsof Rembrandt er zijn zegen van mysterieuze gouden glansingen over uitgesproken heeft, zoo brandt de herfst zijn legende van kleuren af. Wie denkt er aan ontbinding en bederf?
Zoo iets van gistende schoonheid is er ook in veel van Couperus' stijl. Op afstand ziet ge 't glanzen, regenen en gloeien, juweelen vonken verspetteren en lichtjes sprenkelen; naderbij ziet ge al wat daar vuurt en schijnselt als een dooreen-kruiping van maden en larven. Dat uitkruipen en zich verwoeien is van verre als een veeg van zwammige fosforisee-ring. Innerlijk is er rotting. Is het niet treurig, dat men bij een soms zoo groot werker als Couperus van die gistende en rottende schijn-schoonheid moet spreken ?