77
niets in. Zij geven alles uit. Zooals zij kakelen in rijmdwang! Zij zijn de belichaming van het onnoozele, het vloekend-individualisfcische, van de a-moreele omwoeling der dingen.
Maar meer zou dichter Hendrik de Grauw nu niet
zeggen, om niet te epateeren...... Soli Deo Gloria!
Alleen, wég met tijdschriften en hoe minder literatuur, hoe beter voor normale hersens.
Annie Buïens, heel gedistingeerd meisje, in Clas-sieke Letteren, maar modern-elegant, en Freule Boogaers van Swaen, in Classieike Archaeologie en Kunstgeschiedenis, teeder en rank als een ballet-fee, beaamden alles wat jurist Hoeyendos zoo snaaks en schitterend beweerde. Ook zij meenden, dat al dat gewroet moest worden overgelaten aan het mindere volk. Van Hendrik de Grauw's beulsbloederigheid gruwden de jonkvrouwen voegzaam.
Plots knalde Robespierre wat los over Studeniten-Vredes-actie en over de jonge Russen, als stoute lesgevers van Europa, al had Rijksdaalders-zware Sir Henry, politiek-obscure dreiger, de Sovjet een regiem van misdaad gescholden ....................................
IV.
Een huisknecht bracht soda's, wijn, thee met bonbons en sandwiches, en Uriël een telegram van Dogger. Was uitstedig. Jongste dhauffeur van Rozen-heim fungeerde als Ober; diende cigaretten en sigaren rond. Tillema, die schoon niet aangesloten bij S. D. A. P., veel voelde voor hun geweldig werk, hoonde:
— Het lijkt hier wel een tooneel-repetitie-zaait je van Sovjet's rondzwervende ijsberen!
Van allen kant botsten stemmen...
— Politiek verboden!... Scherpe schaduwen van het bezit!