373
zwegen...... Ze is onze glorie!...... Ze is vól-zonne-
honing... voor ons... Ze is hecht en hard...
Ouderkerk keek naar de grootste bronzen midden-kroon. Met een soort opruiende ontroering vertelde hij jongeren om hem heen, hoe je vroeger, dik veertig jaar geleden, moest wachten in vunze, stik-benauwde hokken of in opgepropte, duffe hotelkamertjes, waar je bij koopers of importeurs, een paar partijtjes geslepen mocht aanbieden onder glibberige praatjes...
Toen hing je soms van den morgen tot den avond over een hek-leuning of vrat je je op van de zenuwen, door het urenlange, sarrende wachten, ,,als maar wachten" in die broeinesten. Soms zat of stond je verkneusd op mekaar gepakt, als in een vee-trein; 's winters te bevriezen, 's zomers te stikken, in nauwe engten; „gangen" noemden ze dat! Het riekte er naar wagensmeer... De zwakkeren werden verdrongen als staljongens in een circus. De overrompelend-brutalen en ijverzuchtigen, hadden de halve wereld. Vroeger zwierf je overal rond; liep je café in, café uit, alleen om wat pestnegotie te loozen! Daar had je het aller-allereerst „Mast", het Joden-aquarium. De Jidden dreven zóó in den gouwen damp en achter beslagen ruiten. Alles was er wasem... En achter de bedampte ruiten, roeiende bewegingen van armen en been en, bewegingen van dikke, magere, lange, korte Jidden; Jidden bij scheppen vol... Daar had je zoo, Karper Vigeveno, mit zijn natte rooje snor van parelen... Daar had je zoo Goudvisch Izaks, een-en-al-glim, hoe je hem draaide of keerde... Daar zwom heelemaal in de diepte, zoo pal op je an... Sidderaal Van Bever, één schok al schok met zijn hoofd, zijn nek, zijn ellebogen. Die had een tic!... Daar zwaaide Dreeze zijn korte stok-saluuts... met een Degenkreeft. En alles was wirwar... Snoek zwom achter Baars en Baars weer achter Botervisch... Aquarium!...